Image Alt

Albert Camus’ stappen in Amsterdam

Nee, daar heeft filosoof en schrijver Camus geen trek in, een babbeltje met de aanwezige officiële Franse vertegenwoordigers* na zijn voordracht L’artiste et son temps, op 5 oktober 1954 voor de ’s Gravenhaagsche Boekhandelaars Vereeniging. Hij knijpt er tussenuit naar Amsterdam. En kijk, zijn roman La Chute (De Val) die twee jaar later uitkomt, speelt zich af in die stad. Stapt u even mee?

x

Stone’s Café, meer dan dertig jaar geleden Café Mexico-City

x

Mexico-City

Camus strijkt die nacht o.a. neer in de inmiddels verdwenen kroeg Mexico-City op de Warmoesstraat 91, net om de hoek met de Zeedijk. Dat is in de roman ook het café waar Jean-Baptiste Clamence, verteller van De Val, een monoloog over zijn leven houdt. Clamence was een gevierd advocaat in Parijs. Het leven lachte hem toe totdat een gebeurtenis – een vrouw die zelfmoord pleegt door in het water te springen, zonder dat Clamence probeert haar te redden – een eind maakt aan al zijn zekerheden. 

Voor de mediterrane Camus, geboren in Algerije, symboliseert Amsterdam het barre noorden, koud, mistig, gevat in een mistroostig grijsbruin. Camus beschrijft hoe de aan lager wal geraakte Clamence, tussen hoeren en zeelieden in de onderwereld van de rosse buurt rondhangt. 

De grachtengordel zijn Dante’s cirkels van de hel

Hij laat zijn hoofdpersonage zeggen: ‘Is het u opgevallen dat de grachtengordels van Amsterdam overeenkomen met de hellekringen? De hel der burgers vanzelf, bevolkt met nare dromen. Voor wie van buiten komt en gaandeweg in die diepere kringen doordringt, wordt het leven met zijn misdaden steeds duisterder, steeds compacter. Hier zitten we in de binnenste kring (…) krantenlezers en hoerenlopers kunnen hier niet verder (…) ze luisteren naar de misthoorns, ze speuren vruchteloos naar een omtrek van schepen en gaan langs de grachten weer terug, door de regen.’

x

Het huis met de Moriaantjes

x

Het huis met de Moriaantjes

Ook het grachtenpand Herengracht 514 wordt in De Val genoemd. Op een van zijn zwerftochten loopt Clamence er langs. Aan de gevel boven de ingang merkt hij de twee negerbustes op; een man en een vrouw met één ontblote borst). 

Camus laat Clemence zeggen: “Délicieuse maison, n’est-ce pas ? Les deux têtes que vous voyez là sont celles d’esclaves nègres. Une enseigne. La maison appartenait à un vendeur d’esclaves.” (“Prachtig huis, nietwaar? De twee koppen die u daar ziet zijn die van negerslaven. Een uithangbord, het huis behoorde toe aan een slavenhandelaar.”)

Dat laatste klopt niet. De bustes werden rond 1697 aangebracht en toen was de eigenaar Hendrik van Hoorn, eigenaar van een suikerraffinaderij. Al kun je je afvragen welke koopman er in de 18eeeuw echt ‘slaafvrij’ was… 

Een paar deuren verder daarentegen, op nummer 502, staat een pand dat wel degelijk direct met slavernij verbonden is. De eerste eigenaar-bewoner was Paulus Godin, bewindhebber van de West-Indische Compagnie, koopman die veel geld verdiende aan de slavenhandel. Zie de gedenksteen naast de entree. En het is niet zomaar een pand, het is sinds 1920 de burgemeesterswoning van Amsterdam.

x

x

De gelukkige dood

De Val is een heel persoonlijke roman. De vrouw die zelfmoord pleegt is ook een verwijzing naar Camus’ eigen val (o.a. zijn breuk met Sartre) en amoureuze escapades. Hij trouwde twee keer en had talloze buitenechtelijke relaties, waarvan er hij meestal meerdere tegelijk in de lucht hield.

Camus zou begin 1960 terugkeren naar Amsterdam voor een verfilming van De Val. Maar op 4 januari kwam hij om bij een auto-ongeluk. Was het voor Camus La mort heureuse (De gelukkige dood), zoals de titel van zijn eerste roman luidt?

x

* Vanaf 1954 voerde Algerije een onafhankelijkheidsoorlog met Frankrijk, dat Algerije niet als kolonie beschouwde, maar als gewoon Frans grondgebied. Camus was geboren in Algerije.

Reageer